Gene-silencing mogelijk nieuwe behandeling van erfelijke ATTR-amyloïdose

Een nieuwe benadering lijkt mogelijkheden te bieden voor de behandeling van patiënten met erfelijke ATTR-amyloïdose. Het gaat om zogeheten gene-silencing (gen-deactivatie), ook wel RNA-interferentie genoemd. 

Onderzoek wijst uit dat twee geneesmiddelen die het transthyretine (TTR)-gen deactiveren daarmee bijdragen aan het tegengaan van verdere stapeling van het verkeerd gevouwen transthyretine-eiwit als ATTR-amyloïd. Dit komt doordat deze middelen de productie van TTR door de lever vrijwel stilleggen. Het gevolg is dat de bloedspiegels van TTR dalen tot circa 15 tot 20% van de uitgangswaarden. Omdat de middelen alleen op de TTR-productie door de lever werken, is duidelijk dat ze ongeschikt zijn om de TTR-productie door het netvlies en de bron van het hersenvocht omlaag te brengen.
De geneesmiddelen zouden de eerste goedgekeurde gene-silencing-medicijnen voor patiënten met dit type amyloïdose kunnen worden. Voor beide middelen loopt inmiddels een aanvraag tot beoordeling door toezichthouders om toegelaten te worden op de markt in de Verenigde Staten en Europa.

'Onderzoeksresultaten kunnen weg vrijmaken voor goedkeuring nieuwe behandelingen'

De resultaten van het onderzoek naar gene-silencing werden afgelopen najaar gepresenteerd tijden het eerste Europese ATTR Amyloidosis Congres voor patiënten en artsen in Parijs. Isabelle Lousada, CEO van het Amyloidosis Research Consortium gaf daarbij aan: “Er is een grote onvervulde behoefte aan amyloïdose-behandeling en deze resultaten zouden de weg kunnen vrijmaken voor de beide middelen voor nieuwe goedgekeurde behandelingen voor patiënten met erfelijke ATTR-amyloïdose. Het zijn spannende tijden voor amyloïdose-patiënten.” 

Ernstige bijwerkingen

Ondanks deze positieve ontwikkeling is het belangrijk om te weten dat de nieuwe geneesmiddelen ernstige bijwerkingen kunnen hebben, zoals trombocytopenie (gebrek aan bloedplaatjes die zorgen voor bloedstolling). Een nauw verwant middel dat onderzocht werd bij mensen met hartfalen als gevolg van ATTR-amyloïdose is al in de onderzoeksfase gestrand vanwege de ontwikkeling van polyneuropathie (zenuwaandoening) en een toegenomen kans op hartdood. Het is daarom uiterst belangrijk om goed op te blijven letten op de veiligheid, ook bij deze zo veelbelovende middelen.

Onderzoeksresultaten

Patisiran
Gegevens van de APOLLO fase 3-studie voor erfelijke ATTR-amyloïdose-patiënten met polyneuropathie werden gepresenteerd na een follow-up van 18 maanden. Vergeleken met de controlegroep hadden patiënten die dit middel via de bloedbaan kregen significant lagere TTR-bloedspiegels, leek de zenuwschade (vrijwel) te stabiliseren en ook de hartschade minder toe te nemen. Bovendien meldden patiënten dat ze beter in staat waren om dagelijkse activiteiten uit te voeren, een betere algehele gezondheid hadden en de kwaliteit van leven aanzienlijk verbeterde.
Inotersen
Ook de resultaten van de fase 3-studie Neuro-ATTR tonen aan dat patiënten significant profiteerden van eenmaal per week onderhuidse injecties met dit middel, zowel met betrekking tot kwaliteit van leven alsook neurologische functies vergeleken met patiënten in de controlegroep. Deze positieve resultaten werden bereikt ongeacht het ziektestadium, de aanwezigheid van hartbetrokkenheid en het type mutatie.