Familiaire ATTR amyloïdose

Behandeling familiaire ATTR amyloïdose

Tot recent was de enige mogelijke behandeling van erfelijke ATTR amyloïdose levertransplantatie, waarbij 99% van het gemuteerde TTR uit de circulatie wordt genomen. Deze methode is helaas niet altijd succesvol. Na de transplantatie blijkt de ziekte dan verder te gaan in het hart. Om deze reden zijn patiënten met ziekteactiviteit op latere leeftijd (vaak mannen met cardiomyopathie) en patiënten met niet-TTR-Met30-mutaties minder geschikt voor levertransplantatie. De tienjaarsoverleving voor getransplanteerde TTR-Met30 patiënten is rond de 85% en de geschatte twintigjaarsoverleving circa 50%. Levertransplantatie helpt niet voor de oogbetrokkenheid (glasvochttroebelingen) en waarschijnlijk evenmin voor eventuele betrokkenheid van de hersenvliezen.

Op dit moment zijn twee nieuwe medicijnen beschikbaar gekomen (diflunisal en tafamidis) die de vorming van TTR tot amyloïd afremmen door binding aan en stabilisatie van dit precursoreiwit. TTR is namelijk een tetrameer die pas na uiteenvallen in dimeren en monomeren amyloïdogeen wordt. Door het stabiliseren van het tetrameer wordt remming van amyloïdvorming beoogd. Twee recente klinische trials laten inderdaad een remmend effect zien op de progressie van polyneuropathie bij patiënten met ATTR amyloïdose.

Nieuwe technieken als gene silencing (zoals anti-sense en siRNA) maken het mogelijk om de vorming van alle (zowel het mutante als normale) TTR geheel tegen te gaan, waarbij de serumspiegel daalt naar waarden van 5-20% van de normale uitgangswaarden. Trials met deze middelen gaan van start in 2014 en 2015.